‘Zelf heb ik een vriend gehad die door
wanhoop gedreven zich had opgehangen en niet omdat dat jonge vriendje had
doorgeslagen, maar omdat de politie een zakboekje vond, waarin de jonge jongen
een telefoonnummer had geschreven van de man waar hij mee uit was geweest. De
jongen was omstreeks zestien jaar en moest onder verschilende pressemethoden
bekennen. De man die hem verhoorde zei onder andere “Als je niet bekend (sic),
dan zal ik je aan de Duitsers uitleveren.” Deze zaak speelde zich af in het
begin van de oorlog in 1940. Deze rechercheur is nog steeds bij de politie,
voor zover mij bekend en de knaap is nu opgegroeid tot man en moet zich wel
stil houden, omdat hij homofiel is en niets kan beginnen zonder geld voor
stevige advocaten, bovendien heeft hij geen enkel bewijs voor het gezegde van
deze politieman.’ [1]
De auteur van
deze regels, Paul Monty, spreekt hier over zichzelf. Monty heette eigenlijk
Tiemon Hofman (1925-1997). Hofman werd in 1941 als zestienjarige opgepakt in
een hotel door de politie in Groningen, tijdens een sekscontact met een
32-jarige Haagse ambtenaar. Drie maanden later werd hij door de kinderrechter
in Groningen veroordeeld tot TBS. Hij zat zeven maanden in het Huis van
Bewaring in Groningen en werd daarna naar Rijks Opvoedings Gesticht De
Kruisberg in Doetinchem gestuurd, waar hij na twee jaar werd vrijgelaten wegens
tuberculose. Hofmans veroordeling geschiedde op grond van een door de Duitse
bezetters geïntroduceerd wetsartikel, Verordening 40/81, waarbij alle homoseksueel contact tussen
mannen verboden werd. Dat was een aanscherping van het bestaande Nederlandse
artikel 248bis WvS, waarbij contacten tussen meerder- en minderjarigen van
hetzelfde geslacht verboden werden. De indruk bestaat dan ook dat onder
Verordening 40/81 vooral minderjarigen
werden veroordeeld. In totaal kwamen in de eerste drie oorlogsjaren ruim 100 mensen
voor de (Nederlandse) rechter wegens overtreding van de verordening.
In de jaren
tachtig werd een uitgebreide discussie gevoerd over de vraag of homoseksuelen
vervolgd waren in de oorlog en of homoseksualiteit als vervolgingsgrond in de
wetten voor compensatie van oorlogsleed moest worden opgenomen. Na lange
discussie gebeurde dat in 1986, maar uiteindelijk bleef Hofman de enige die
ooit erkend werd als homoseksueel oorlogsslachtoffer. Dat maakt hem bijzonder,
evenals het feit dat hij in de laatste jaren van zijn leven meerdere malen getuigenis
aflegde van wat hem overkomen was. De auteur werkt aan
een biografie van Hofman die in het voorjaar van 2002 bij Schorer boeken zal
verschijnen. Daarin wordt zijn leven in
de context geplaatst van de lotgevallen van homoseksuelen gedurende de Tweede
Wereldoorlog en de moeizame jaren erna die het voor iemand met een aantekening
wegens homoseksualiteit vrijwel onmogelijk maakten een plaats in de Nederlandse
maatschappij te vinden[2].
Hofman was een
doodgewone jongen, een Nicht, zoals hij zichzelf graag noemde. Bij het
schrijven van zijn biografie bleek dat hij in de tweede helft van de jaren
zestig (nadat hij in de WAO was gekomen) romans en porno was gaan schrijven,
met als centraal thema het leven van ‘nichten’. Tussen 1965 en 1972 schreef hij
zeker een vijftal boeken[3]. De
inkomsten uit het schrijven – de uitgever betaalde steeds een voorschot van
500,- per boek – vormde een welkome aanvulling op Hofmans karige inkomen: hij
knapte er het huisje van op waarin hij inmiddels met zijn vriend in Groningen woonde
en ze kochten er kleding van en gingen wat vaker op reis, naar België, Spanje
en de DDR. Vooral de twee boeken onder de titel De Nichten (resp. in 1965 en 1968 verschenen) en het gelijknamige
porno-tijdschrift dat eind jaren zestig in Groningen verscheen[4], zijn
interessant, omdat ze een blik gunnen op
juist die wereld, die het COC, de agendabepalende homobeweging, probeerde te
verhullen en overbodig te maken: de wereld van nichtenkitten en onbekommerde
seks. Een wereld die bovendien in de jaren tachtig, met de komst van aids,
verdwenen leek te zijn.
Het boek De Nichten I was spoedig uitverkocht en
het succes leidde ertoe dat Hofman een verzoek kreeg van uitgeversmaatschappij
“Interludium” (aan wie hij kennelijk de rechten va het boek had overgedaan) om
een vaste rubriek te gaan schrijven in het porno-tijdschriftje De Nichten. Onder zijn pseudoniem Paul
Monty verzorgde hij de rubriek Monty (waarin hij overigens steeds meer
commentaar op politieke zaken ging geven, zoals het sluiten van pisbakken of de
komende verkiezingen) en af en toe schreef hij anonieme verhaaltjes, herkenbaar
aan zijn onmiskenbare schrijfstijl, met hinkelende zinnen, tenenkrommende
vergelijkingen en een merkwaardige aanspreekstijl waarin hij de lezer in de
tweede persoon aansprak en het over zichzelf vaak in de derde persoon had.
Er was uiteraard
verschil tussen de zachte homo-porno uit de boeken De Nichten en de meer harde porno uit de blaadjes, maar verder
lijken de verhalen nogal op elkaar, alleen wordt aan het veelvuldige ‘we sexten
heerlijk’ uit de boeken nu een meer
duidelijke inhoud gegeven. (‘Dieper met die lul in mijn reet, zuig het sperma
tot de laatste druppel op en speel, speel met de punt van je tong over mijn
eikel [5]‘
enz., enz.). In de blaadjes werd sex expliciet getoond, vooral op de vele
foto’s (ook in de vorm van fotoromans) die overigens de indruk maken dat ze op
regenachtige zatermiddagen door de betrokkenen met veel huisvlijt en aandacht
voor detail in elkaar zijn gezet. De
inhoud van het blad bestond uit korte verhaaltjes, losse foto’s en foto-romans,
deels aangeleverd door lezers; en daarnaast een rubriek ‘erotiekjes’ waarin sex- maar ook vriendschaps-contacten
werden gezocht. De verhaaltjes zijn simpel: jongen/s ontmoeten andere jongen/s
en hebben sex, veelvuldig, met veel pijpen en anaal neuken (uiteraard zonder
condoom). Tussendoor staan onder de kop ‘gehoord’ en ‘gezien’ flauwe observaties (overduidelijk van de hand
van Hofman) zoals ‘Spaanse nichten zijn franco vrij; Schotse nichten zijn
pipers; Franse nichten zijn ‘pik’ant… Maar ze zijn allemaal even lief!…[6]
De twee delen van
het boek De Nichten hebben een semi-autobiografisch karakter. Als
achtergrond hebben ze de perioden in Hofmans leven dat hij als steward op de
passagiersschepen van de Grote Vaart voer[7].
Hofman was in het begin van de jaren vijftig gaan varen omdat hij graag uit
Nederland weg wilde zijn, maar ook omdat hij door zijn veroordeling geen baan
in Nederland kon krijgen. Tegelijk heeft hij door de keuze van de vorm en
inhoud van zijn boeken – het reisverhaal, het overal en nergens vertoeven, een prachtige metafoor gevonden voor het
losse, fladderende leven van de nicht dat hij wil beschrijven. Hofman noemt
ieder schip in zijn boeken een ‘bloem’
(overigens geen gebruikelijke scheepsterm)
- is dat omdat hij van de een naar de ander vlindert? ‘Ik? Ik vaar. Ik
zie de wereld. Ik rust niet. Ook ik, ik [ont]vlucht ergens het gewone leven van
de maatschappij.’ Daarbij suggereert hij dat het aan boord van de meeste
schepen een dolle boel was, zoals de titel van dit artikel aangeeft.
Voor Hofman was
homoseksualiteit aangeboren. In gelegenheidshomoseksualiteit geloofde hij niet:
er moest een kern in zitten van bepaalde hormonen die maakten dan iemand Zo
werd. Daarom is een nicht ‘iemand die niet weet hoe het komt dat hij/zij Zo-is.
Geen misdadiger. Geen wangedrocht. Een ongelukkige, die zelden een vaste vriend
vindt. (…) Eigenlijk kunnen we niet ‘netjes’ zijn. We moeten vlinderen, van
links naar rechts.’ Het fladderen wordt als kenmerkend voor Nichten gezien:
‘Men vergeet niet zo snel als men wel zou willen, maar je weet van jezelf dat
je geen type bent, dat zich kan en wil binden. Je bent een ‘Nicht’ en ‘Nichten’
stralen nu eenmaal overal. Vlinderen doe je van de een naar de ander en hoe
meer dat je fladdert hoe meer je je vleugels verschroeid (sic), totdat je
eenmaal gebrand wordt en dan zit je met de pijn van de liefde.’
De ‘contacten’
verlopen allemaal min of meer op dezelfde manier: ‘Bij Allan leerde ik Frank kennen. Frank was het type van de sportieve
yank en wij konden het samen uitstekend vinden. Gedurende de drie dagen dat ik
in New-Orleans was, heb ik met Frank gesext dat het een lust was. (….) Frank
had ook geen problemen, maar was alleen een heel gezellige kerel, zonder meer.
Sex was voor hem heel belangrijk en hij beleefde het met een overgave die beide
partijen volledig bevredigde. Frank was een van die schatten die men over de
hele wereld ontmoet en waarvan het heel moeilijk is om weer afscheid te moeten
nemen.’ ‘Iedere maal weer afscheid te
moeten nemen, dat vergt enorm veel van je stabiliteit. Iedere maal ben je weer
uit je evenwicht, of je nu wil of niet.’
‘Evenals ik
begreep hij dat ons sexen maar noodsexen was, en nooit tot een diepere
verhouding zou leiden’ vat het aardig samen. Herhaaldelijk gebruikt hij voor
deze verhoudingen de term ‘Ships that pass in the night’ , niet alleen een term
die weer naar het varen verwijst, maar vooral een populaire cliché-uitdrukking
in die tijd. Daardoor is de nicht gedoemd tot eenzaamheid. ‘Eenzaamheid? Ja,
die kan aan iemand knagen, en doet pijn. We lijden er allen onder, homo, wat
wil je? Men noemt ons anders. Toch
zijn er zo honderdduizenden mensen op de wereld. Anders? Anders? Anders? Midden
in de Maatschappij zijn wij homo’s, en moeten toch normaal leven. We hebben
plezier op onze tijd, maar het geluk van de opheffing uit de eenzaamheid zullen
we nooit proeven.’
Een levenspartner
vinden blijft toch het hoogste doel. ‘Het is beter te wachten en te verlangen,
een hele lange tijd, dan overhaast iets te ondernemen, waar je niets anders dan
spijt van krijgt.(…) Het sexen heeft geen gevolgen en er kan nooit iets uit
ontstaan dat een band zou kunnen vormen, zoals bij het sexen tussen twee
verschillende geslachten. Er is aan deze sex geen enkel risico verbonden dan
alleen maar het genot van de sex zelf en de geestelijke spanning die iedere sex
met zich meebrengt. Beter, veel beter is het, voordat men een vaste vriendschap
aangaat, het leven eerst goed te verkennen. Dan is de teleurstelling van een mislukking
nooit zo groot.’ De vaste Vriendschap wordt ook verhinderd door het werk: een
varend bestaan is niet erg bevorderlijk voor langdurige contacten; en de
ik-figuur moet wel varen om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.
Voor Hofman was
er een rangorde tussen flikkers, nichten en homofielen. Flikkers zijn het
laagste in de orde; het zijn ‘rotflikkers die voor geld meegaan en ‘s avonds op
de pisbakken trachten een kerel te versieren.’ ‘Eerst de boel op stelten zetten en dan stiekum poen verdienen.’ Rasbietsers
zijn die flikkers die met een ‘Nicht meegaan alleen maar om een maaltijd en een
flinke hoop drank ’ – flikkers, kortom,
doen het voor geld.
Het verschil
tussen een ‘Nicht’ en een homofiel is, dat een ‘Nicht’ een homofiel is die met
iedereen uitgaat. Hofman vindt nichten
‘gekke, rare wezens’, ze ‘hebben een
vriendje voor drie dagen en zijn daarna, als ze weer verder moeten (omdat het
werk roept) heel verdrietig, maar vergeten dat verdriet door zo snel mogelijk
in bed te duiken met een ander en te sexen tot je niet meer kon.’ Nichten zijn
dol op geld en uiterlijk vertoon. ‘Veel ‘nichten’ zeggen, dat zij niet hoeven
te werken, omdat zij geld hebben geërfd of iets dergelijks, maar dat is vaak
een ‘nichtensprookje’. Evenzeer is het een sprookje, dat ‘nichten’ het zo rijk
en het zo vreselijk goed hebben. Ja, goed hebben de meeste het, maar hoe komt
dat en waarom hebben ze het goed? Omdat de meeste heel behoorlijk verdienen en
er met hun verdiende geld zo goed mogelijk proberen uit te zien. De meeste
hebben smaak en kunnen met weinig geld juist zo’n combinatie maken van hun
kleren, dat het lijkt of ze een immense garderobe bezitten. Ze weten ook hun
kleren te dragen. Dat is nu eenmaal een eigenschap, die de meeste ‘nichten’
bezitten. Evengoed als ze interessant kunnen doen en duur…. Vooral duur….’ [8] Dan is het het mooiste wanneer je een rijke
vriend vindt, die je wil onderhouden: ‘Maar het moet een mens toch echt
veranderen, zo opeens echt bemind te worden en een hotel als bruidsgeschenk te
krijgen (….) kortom: je was een nicht, nu ben je een heertje.’
Een homofiel kan
een keurige man zijn die tracht zich in zijn lot te schikken en probeert om een
vaste vriendschap aan te gaan. ‘Nichten’ vlinderen en vladderen van de een op
de ander, een homofiel is alleen een mens, die nu eenmaal homofiel is, maar
geen gebruik maakt om met iedereen, direkt naar bed te gaan.’
In de boeken en
plaatjes lijkt het verschil tussen actieve en passieve seks, dat tot in het
begin van de jaren zestig in de subcultuur zo’n grote rol speelde, verdwenen te
zijn: de ik-figuur neukt en wordt geneukt; maar is niet krampachtig op zoek
naar de Echte Man. Weliswaar wordt er nog onderscheid gemaakt tussen mieën en
nichten – waarbij de eersten als exteem vrouwelijk worden gezien, maar de
nichten neuken en worden geneukt zonder hun mannelijkheid te verliezen. Hofman
zelf was overigens als jongen bij zijn ontdekking wat homoseksualiteit was
sterk beïnvloed geweest door het boek Het Masker van Charley van Heezen (J.H.
François), een homoseksuele roman uit 1922, over de ‘liefde die haar naam niet
durft te noemen ‘ waarin wordt gesteld dat mannen alleen op andere mannen
verliefd worden en niet op namaak-vrouwen - een opvallende stelling in die
tijd.[9] In
het verhaaltje ‘Rotterdam’, dat anoniem (maar in onnavolgbare Hofman-stijl) in
een van de eerste nummers van De Nichten
verscheen, slaat de ik-figuur een Duitse zeeman, Ernst, aan de haak in het
Rotterdamse café, de ‘kit der kitten’,
het café van ‘Moetie’. Hij pijpt en neukt Ernst. Het stromende zaad speelt steeds een
belangrijke rol in de verhaaltjes en wordt uitbundig doorgeslikt en gevoeld.
Moeti is een uitgekookte Duitse zakenvrouw, die niet kwaad werd ‘als je een
bink uit haar zaak wegsleepte, aan wie ze nog niet alles verdiend had wat ze
had kunnen verdienen’, omdat ze meende dat haar klanten steeds terugkwamen
omdat bekend was dat je er iets versieren kon. Je was gewoon de ‘neukreclame’
voor de zaak. Nadat hij Ernst heeft
verlaten ‘als voorbijgaande schepen in de nacht’ pikt hij op straat nog Karel
op, een politieagent wiens vrouw een paar dagen weg is. Door deze hetero-man
laat hij zich neuken. ‘Ik had geneukt en werd geneukt’.
Wat is nog meer lekker? ‘Ken was een mooie jongen en had een keihard figuur, blond en met een egale beharing.’ En ook de Franse Jean-Paul mag er wezen: ‘Jean-Paul sexte perfekt, vooral in het bad. Hij droeg opvallende, gewaagde, paarse kostuums, die hem echt niet gingen. Hij daagde uit. Ik vond hem beter in blue-jeans, die zo strak waren, dat de hele handel meteen te raden was. Het strakke open truitje verraadde zijn rijkelijke beharing.’
De ik–figuur
lijkt zelfs homo-mannen te prefereren boven hetero-mannen, een interessante
omslag met de tijd ervoor. Hetero’s zijn als partners juist minder geliefd,
vooral getrouwde hetero’s, want dat vindt hij ‘te naar voor zijn vrouw en
kinderen. Wat hadden de kleintjes moeten vertellen? Papa is gevlucht met een
flikker? Ik kon daar geen deel aan hebben. (….) Ik vond dat hij het maar met
zijn vrouw moest proberen. Tenslotte is dat huwelijksbriefje niet zo slecht.’
Sommige
hetero-mannen zijn de zonde wel waard: ‘Zoenen dat die knul deed, als ik er aan
terugdenk loopt het water me nog uit de mond. Achteraf geloof ik nooit dat Leo
een echte homo was, maar iemand die sterke verhaaltjes had gehoord over het
sexen tussen mannen, en zich had voorgenomen om dat ook eens te beleven. Die
kerels neuken het best en doen het tot in de perfektie.’ En ook de getrouwde
stuurman op het schip valt wel in de smaak:
‘God, wat was Stuur fijn in bed toen hij zich helemaal vrij kon geven,
wat was hij lief. Hij speelde vrouw. Zijn robuustheid verdween en zijn fiere
zeemansblik werd vertroebeld door de geilheid van zijn afwachtende, lokkende
ogen.’
De ik-figuur
heeft zelfs een duidelijke afkeer van vrouwelijke mannen en travestieten, zoals
die bijvoorbeeld in de nichtenkitten te zien zijn. ‘In de Amsterdamse kitten
zitten gekke Hollandse mieten die het over niets anders hebben dan over – meid
zo en meid zus – iets behoorlijks komt er niet uit en het zijn meer wijven dan
mannen. Opgetut en met gebleekte haren zie je
ze daar zitten, de een in een goedkoop truitje en de ander helemaal in
kostuum waar hij zich onwennig in voelt omdat de persoon in het kostuum veel
liever een jurk aan zou hebben.’ In de Brusselse kitten is het al niet beter:
‘Het zijn meer vrouwen dan mannen. Gegiegel en gegil, opgetut en niet opgetut.
Sommigen gebruiken de meest geraffineerde make-ups en anderen zien er uit of
zij door de mangel zijn gehaald. Blonde haren, zwarte haren, witte nagels,
groene nagels, rode nagels, het geeft allemaal niets. Uitroepen van chique en
apart vervullen de kreten en iedereen weet van iedereen dat men ‘zo’ is. (…)
Men pikt over het algemeen de mannelijke typen er zo uit, want zij zijn het die
overwegend in mannelijke kostuums gekleed gaan en ook een mannelijke houding
hebben. Trutten van ‘nichten’ herkent iedereen aan de vreemde kleding die zij
dragen die uitdagend is en veelal bestaat uit een of ander truitje en een
opvallende strakke broek waar vooral hun vormen in uitkomen.’
Hoewel de
subcultuur dus vooral bevolkt wordt door gillende mieën, is het er
tegelijkertijd aangenaam: ‘Een club van homo’s is ook de meest democratische van
alle clubs ter wereld. Men vindt aan de bars in de clubgebouwen zowel de
afwasknecht van het hotel als zijn directeur, zowel de leerlingverpleger als de
arts en evengoed de koster als de dominee. Allemaal, op voet van gelijkheid,
komen zij hun borrel drinken. Alleen het feit dat je homo zijt geeft je hiertoe
recht. In de clubs kent men rang noch stand. Elk is mens, zonder meer.‘ Dit
laatste was voor Hofman, die uit de arbeidersstand kwam, een belangrijk
gegeven. Evenals voor veel andere mooie arbeidersjongetjes had zijn intrede in
de herencultuur in Groningen in de jaren veertig de toegang tot kunst, cultuur
en verheffing betekend.
De jaren zestig vormden een rumoerige tijd in homoland, waarin de pogingen, die vooral het COC al vanaf de jaren vijftig had ondernomen om homoseksualiteit zichtbaarder en maatschappelijk meer geaccepteerd te maken langzamerhand succes begonnen af te werpen. Het COC trad meer openlijk naar buiten en kreeg daarbij hulp van bondgenoten, die het door het hanteren van het ‘sleutelfiguren- model’ had verworven. Daarbij bracht men maatschappelijk en wetenschappelijk belangrijke personen op de hoogte van het standpunt van het COC, dat homoseksualiteit een aangeboren verschijnsel was, dat ten onrechte gediscrimineerd werd. Om in aanmerking te komen voor een menswaardige behandeling moesten homoseksuelen echter wel laten zien dat ze méns waren, dat wil zeggen dat ze ‘netter’ waren dan hetero’s.[10] Het COC probeerde een alternatief te bieden voor de kitten en bakken waar de homo’s tot dan toe bijeenkwamen. Helemaal zonder konden ze ook niet, omdat – vroeger zo goed als nu – de meeste leden van het COC lid waren voor het ‘verlangen’ en minder voor de ‘belangen’.[11] In de loop van de jaren vijftig probeerde het bestuur langzamerhand de invloed van deze ‘dansleden’ in te perken, ook omdat ze in de sociëteit niet altijd de gewenste omgangvormen ten tonele spreidden: ‘Ik heb zelf meerdere malen ervaren dat, als je een leuke jongen meebrengt, deze hyena’s binnen 3 à 10 minuten hun adem in je hals staan te blazen en je vriend in letterlijke zin de dansvloer op sleuren, ik zie en hoor dat ze tegen elkaar zeggen “ik ga er gewoon op af”.’[12] De promiscuïteit van veel dansleden werd binnen het COC als een groot probleem gezien, getuige de vele malen dat dit onderwerp in het clubblad ter sprake kwam.
De grotere openheid over homoseksualiteit leidde ook tot de publicatie van boeken met een homoseksueel thema. Schrijvers als Gerard Reve, Adriaan Venema, Astère Michel Dhont en Jaap Harten publiceerden hun eerste belangrijke romans met een homoseksueel thema in de eerste helft van de jaren zestig. In het tijdschrift van het COC, Vriendschap, werd echter mondjesmaat aandacht geschonken aan deze literatuur. Daar was men nog steeds in ban van het buitenlandse wetenschappelijke werk, het grote Literaire boek (van Gide bijvoorbeeld), en van vaderlandse pulp wilde men al helemaal niets weten, natuurlijk.
In de jaren
zestig vormde het COC nog de ‘homoseksuele moederkerk’, zoals het wel eens
gekscherend gekenschetst werd; en van een georganiseerde oppositie tegen het
beleid van het COC was in die tijd geen sprake. Maar het rommelde in de marge.
Gerrit Komrij, altijd goed voor een tegendraadse
opmerking, merkte daarover op: ‘Minderheden gaan, zodra ze in groepsverband
optreden, of het nu om een geloof of een seksuele geaardheid gaat, aan
eigenaardige kwalen lijden. Ze willen niet opvallen omdat ze zichzelf zo
‘gewoon’ vinden, en tegelijkertijd timmeren ze aan de weg omdat ze ‘anders’
zijn: de eeuwige strijd tussen assimilatie en ‘behoud van eigen identiteit’,
zoals dat heel fraai heet.‘ Komrij maakte vervolgens een verschil tussen de
‘begripvolle lineralen’ en de ‘verlichte pastoors’, die in hun eindeloze
tolerantie de homoseksuelen een stil hoekje in hun walhalla hebben geschonken,
en de fllikkers: ‘Net nu iedereen vindt dat het ‘gezellig’ is, beginnen ze te
praten over homocultuur.’[13]
In het kader
daarvan moeten we ook de opleving van
het homo-pulpgenre in de jaren zestig zien. De homo-lectuur geeft een beeld dat
heel anders is dan wat het COC voorstaat: het pretendeert voor te lichten over
een sensationele wereld, met normen en waarden die helemaal niet zo netjes zijn
in de ogen van de burgerwereld. Opmerkelijk genoeg is er nooit veel aandacht
voor homo-pulp geweest (wel weer voor lesbische pulp, overigens). In de jaren
dat homoseksualiteit nog zeer onzichtbaar was vormde pulp een belangrijk
hulpmiddel om een gevoel van een homogemeenschap te helpen vormen. ‘Fiction
[…] makes the most complex and detailed use
of historical events and social discourse.’[14] De
thema’s in pulp-lectuur sluiten aan bij de belevingswereld van de lezer en
helpen die vormen. Wanneer je de boeken van Hofman vergelijkt met een viertal
andere pulpromans die in de tweede helft van de jaren zestig verschenen[15]
blijkt dat die gemeenschappelijke thema’s er zeker zijn. De andere boeken zijn
beter geschreven dan de boeken van Hofman (die dankzij zijn afgebroken
schoolopleiding het Nederlands nooit helemaal onder de knie kon krijgen) maar
gemeenschappelijk is een schijnbare (of wellicht zelfs werkelijke) wens tot
voorlichten over de homoseksuele leefstijl, in samenspraak met de afschuw die
‘gewone’ mensen ten tonele spreiden wanneer het over homoseksualiteit gaat.
Homoseksuele kinderen die ‘het’ aan hun ouders vertellen wacht allemaal
hetzelfde: ze worden zonder pardon het huis uitgetrapt. Degenen die wat meer
openhartig durven te zijn, wacht vaak de chanteur. Zelfmoord is een reeële
oplossing. Homoseksualiteit vindt plaats
in een schemerwereld, waarin incest, hoeren en verdovende middelen mede een rol
spelen. Opmerkelijk is de rol van heteroseksualiteit: omdat homoseksualiteit zo
onzichtbaar was, werden natuurlijk ook velen met heteroseksualiteit
geconfronteerd, in de vorm van dames die zich op de mooie mannen werpen of
moeders die hun zoons een bruid opdringen. Het vreselijke lot van de getrouwde
homofiel komt ook in de boeken van Hofman vaak voor. Over de oorzaken van
homoseksualiteit is men het niet eens; we zien alle gangbare paradigma’s langskomen:
van Freudiaanse thema’s (daar hebben we de zwakke vader en de dominante moeder
weer!) tot (veel zeldzamer) de theorie dat het aangeboren is. Vaker nog is het
het gevolg van bijvoorbeeld een kostschoolverleden (waarbij de jongens vooral
onder de douches seksuele vernederingen moesten ondergaan, die hen voor het
leven een verlangen naar met name mooie billen opleverden. De seksuele
fascinatie ligt beduidend meer aan de achterzijde dan aan de voorzijde.
Kortom, de wereld
in deze pulpboeken is volstrekt tegengesteld aan die van het COC. Eén thema is
er wel gemeenschappelijk: in een aantal boeken (onder meer in Hofman’s Zo waren zij geschapen; in Herman, de liefde van een homofiel van
Harry Thomas, in Mannen die ‘anders’ zijn
van Jan Brands, komt het verlangen naar de Vaste Vriend naar voren; een
klaarblijkelijk onbereikbaar ideaal voor
velen. Ook in het tijdschrift Vriendschap
is dit een weerkerend thema; de schuld van het steeds mislukken van een
vriendschap wordt daar, zoals gemeld, gelegd in het roofdierachtige gedrag van
de mannen in het uitgaansleven, die niets liever doen dan een man zijn mooie
vriendje afnemen. Elders suggereerde ik dat de reden vooral was dat mannen
geleerd hadden op Echte Mannen te vallen, en dat een man die eenmaal met hen
mee was gegaan, niet meer als Echte Man kon gelden[16].
Daarom was de vaste vriend meer een soort kameraad voor het leven, en bleef de
seks voorbehouden aan een snelle wip in de bosjes. Dit gedrag zou onder invloed
van de pil (die in 1964 werd geïntroduceerd) zijn afgenomen, omdat dat soort
jongens minder beschikbaar kwam voor sekscontacten, nu zij het ook met vrouwen
konden doen[17]. Inderdaad speelt in de romans mannelijkheid
en vrouwelijkheid een heel nieuwe rol. Mannelijkheid wordt nog steeds tegenover
vrouwelijkheid gesteld, maar de vrouwen zijn biologische vrouwen (en wie als
moderne vrouw wil weten waarom homo-mannen een afkeer van vrouwen hebben, moet
je je maar weer eens in de bedilzuchtige karakters van de ruim met borsten,
billen en zacht vlees uitgeruste dames verdiepen) en de homo- mannen willen
echte homo-mannen.
Hofman was
overigens – en daarin was hij anders dan de meeste ‘nichten’ geweest, zeker
niet tegen het COC. Hij droeg het COC een warm hart toe, maar zag wel dat hun
pogingen om op te komen voor de homofielen, strandden omdat de meeste nichten
nu eenmaal lol willen ‘en zij willen zoveel mogelijk vriendjes ontdekken en er
mee naar bed gaan en daar kan geen enkel lid van welk bestuur dan ook, maar
iets tegen doen.’ ‘Indien men wil bouwen
aan een gezonde vereniging, dan moet men eerst de grond bouwrijp maken en een
zuivering toepassen onder de leden waar, en dat weet ik zeker een hele hoop op
de pisbakken lopen en in de kroegen meeslepen, die ze maar kunnen om lekker mee
naar bed te kunnen gaan. Volgens mij hebben deze mensen geen recht om lid te
zijn van een vereniging die hogere doelen nastreeft.’ Een pikant detail daarbij is dat Hofman in
1971 aan de wieg stond van een afscheidingsbeweging van het COC in zijn
woonplaats Groningen, VDV, Verbondenheid Door Vriendschap. De 80 leden van de
VDV vonden het COC, dat een steeds linksere, door studenten bepaalde koers ging
volgen, te radicaal, en wilden terug naar de veilige beslotenheid van de
subcultuur.
De
tweestrijdigheid in de homobeweging van de jaren zestig komt daarom in Hofmans
werk goed tot uitdrukking: hij verheerlijkt en betreurt het leven van de
nichten; hij bewondert en verguist het COC, hij neukt en laat zich neuken. Hij
was zich die tegenstrijdigheid wel bewust: ‘Je moet in je leven niet te veel
denken aan al die ongerechtigheden, anders kom je er nooit uit. Je moet het
leven zo nemen als het is en niet zo als het wezen moet. (….) Laat je eigen
leven niet beïnvloeden door wat goed en kwaad is, niemand weet wat het is. (…)
De een zegt zegt zus, de ander zegt zo, maar jij bent ‘zo’ en daar kun je
niets tegen doen, helemaal niets. Leef,
leef!’
[1] De citaten in dit artikel zijn ten zij anders is aangegeven afkomstig uit de boeken De Nichten (Antwerpen 1965) en De Nichten II (Utrecht 1968). De citaten bevinden zich in de volgorde waarin ze in dit artikel voorkomen achtereenvolgens op de pagina’s : II/103-4; I/71; II/58; II/120-1; I/175-6; I/154; I/96; I/47; I/156; II/21; II/39; II/77; I/28; II/59/60; II/64; I/55; I/70; I/92; I/60; II/167; II/183; I/131; II/157; II/158; II/115-6.
[2] Het project wordt gefinancierd uit de oorlogstegoeden van de
overheid (de zgn. Vierde tranche
goudpool). Voor dit artikel is de auteur daarnaast dank verschuldigd aan
[3] Zelf wist hij later niet meer hoeveel het er waren, omdat hij naar hij zei, geen exemplaar meer bezat. Hij meende dat het er wel 8 à 10 waren, maar ik heb vijf titels kunnen achterhalen: De Nichten deel I en II, Zo waren zij geschapen (met als thema de (on)mogelijkheid van langere homoseksuele relaties; Het onvermijdelijke (een lesbische roman) en Seks in the USA..
[4] De Nichten I verscheen bij uitgeverij Celbeton in Antwerpen; deel II bij De Dom in Utrecht (beide overigens respectabele kleine uitgeverijen). Het tijdschrift De Nichten was een uitgave van Biofot in Groningen, die vooral maandelijkse porno-uitgaven met een hoog huisvlijt-karakter op A5-formaat publiceerde. De prijs was 4,50.
[5] Paul Monty, Rubriek Monty; De Nichten z.j. (een van de eerste nummers) p. 3.
[6] Nichten nr. 16, p. 27.
[7] Met onderbrekingen voer Hofman tussen het begin van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig onder meer op de Nieuw-Amsterdam, de Oranje en de Willem Ruys, de vlaggeschepen van respectievelijk de Holland Amerika lijn, de Stoomvaartmaatschappij Nederland (SMN) en de Rotterdamsche Lloyd.
[8] De Nichten ongenummerd exemplaar, maar een van de eerste nummers.
[9] Gerrit Komrij, Averechts , Synopsis Amsterdam 1980, p.
270 ff.;
[10] Zie
[11] Zie voor deze discussie onder meer Jan Willem Duyvendak (red), De verzuiling van de homobeweging. SUA Amsterdam 1994.
[12] Ingezonden brief in Vriendschap 1961, p. 42.
[13] Gerrit Komrij, ‘Het dilemma van de minderheden’ Averechts. Synopsis Amsterdam, 1980, pp. 218-220.
[14] Bonnie Zimmerman, The Safe Sea of Women. Lesbian Fiction 1969-1989. Beacon Press Boston 1990; p.2.
[15] Het betreft hier:
Jan Brands (ps. van C.J. Edelman), Mannen die "anders" zijn.
Oorspronkelijke realistische roman. Uitgeverij "Orion", Amsterdam
z.j. (1963).
Lou Delarue, HOMO. De waag –Jabu,
Amsterdam (1966)
Harry Thomas, Herman, de liefde van een homofiel. Triton Pers, Huizen (1969)
Leo Riedé, Mannen onder elkaar. Drie homofielen over zichzelf en anderen. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1970.
[16] Judith Schuyf, Gevoelsgenoten van zekere leeftijd. Schorer Boeken Amsterdam, 1997.