Het onderzoek 'Oude Roze' bracht in kaart welke problemen homo/lesbische ouderen ondervinden door het specifieke feit dat ze homoseksueel zijn. De uitkomst: de positie van homoseksuele ouderen is over het algemeen zwakker dan die van hun heteroseksuele leeftijdgenoten. Een belangrijke oorzaak is het grotere isolement.
Het doel van het onderzoek was een beschrijving te geven van de knelpunten die oudere homoseksuele mannen en lesbische vrouwen in de Nederlandse maatschappij ondervinden en die specifiek met hun homoseksualiteit te maken hebben. Het onderzoek moest suggesties opleveren voor de wijze waarop isolement kan worden voorkomen of weggenomen, participatie kan worden bevorderd en netwerken kunnen worden versterkt, en wat verschillende organisaties (waaronder de overheid) op dit gebied kunnen doen.
Professionals en vertegenwoordigers van belangenorganisaties die zich met beleid rond homoseksuele ouderen bezighouden. De profijtgroep van het onderzoek bestaat uit homoseksuele en lesbische ouderen. De vraagstelling luidde: heeft de groep homoseksuele mannen en lesbische vrouwen boven 55 jaar in vergelijking met de groep heteroseksuele mannen en vrouwen voldoende mogelijkheden tot zelfstandig ouder worden? Hebben oudere homoseksuelen voldoende mogelijkheden tot maatschappelijke participatie in vergelijking met oudere heteroseksuelen? Hiervan zijn drie deelvragen afgeleid: - Beschikt de groep in voldoende mate over een toereikend inkomen, geschikte huisvesting en een goede gezondheid? Daarbij is eerst van belang in hoeverre de groep homoseksuele ouderen verschilt van de groep heteroseksuele ouderen. Verschillende componenten spelen daarbij een rol: demografische kenmerken, financiële situatie, gezondheid en woonsituatie. - In hoeverre voldoet het persoonlijke netwerk van homoseksuele ouderen aan de eisen die de oudere eraan stelt? De ontwikkeling van het persoonlijke netwerk is van groot belang voor de mate waarin participatie en zorgzelfstandigheid bereikt kan worden. - Als er inderdaad verschillen bestaan tussen homoseksuele en heteroseksuele ouderen, in hoeverre houden die dan direct of indirect verband met de homoseksuele leefwijze?
Oud Roze werd in de jaren 1995-1996 verricht door Judith Schuyf van Homostudies Universiteit van Utrecht, in opdracht van het Ministerie van VWS en de Gemeente Amsterdam.
Ten behoeve van het onderzoek werden 31 homoseksuele mannen en 29 lesbische vrouwen geïnterviewd.
Over het geheel genomen is de situatie van oudere homoseksuele mannen en vrouwen niet slecht te noemen, zeker in vergelijking met de algemene positie van ouderen in de Nederlandse bevolking. Men heeft een goede gezondheid, een toereikend inkomen en een adequate huisvesting. Ouderen kijken over het geheel genomen met instemming op het leven terug en hebben weinig problemen met ouder worden. Een groot deel van de bestaande problematiek is te vergelijken met de algemene problematiek van ouderen. De specifieke positie van het homoseksueel zijn leidt echter tot een aantal knelpunten. Zo komt de relatie die bestaat tussen alleenwonen, een slechte financiële situatie en daardoor slechte gezondheid en eenzaamheid en depressie voor bij veel oudere vrouwen. De situatie wordt verergerd door de geringe aansluiting die oudere lesbische vrouwen vinden binnen de bestaande circuits van oudere vrouwen.
Driekwart van de onderzoeksgroep voelt zich gezond en kan zich nog uitstekend redden. Er zijn wel verschillen binnen de groep, met name verschillen tussen mannen en vrouwen en verschillen tussen jongeren en ouderen. Vrouwen zijn significant vaker ziek dan mannen en hebben significant meer psychische klachten. Daarnaast hebben ze significant meer ervaring met de geestelijke gezondheidszorg. Op zich verschilt de groep homoseksuele ouderen niet erg van de groep ouderen in de algemene bevolking. Ook hier zijn immers verschillen naar sekse en leeftijd te constateren. Wat hun lichamelijke gezondheidstoestand betreft lijken er dan ook weinig verschillen te constateren met de algemene bevolking, al is het opvallend dat de groep onderzochten van de jongste leeftijdsklasse (55-65 jaar) rapporteert een slechtere gezondheidstoestand te hebben dan de leeftijdsklasse direct boven hen. De verschillen zijn wat de mannen betreft significant; iets zwakker ziet men hetzelfde verschijnsel bij de vrouwen. De groep net-gepensioneerden is er met betrekking tot de gezondheid dus het beste aan toe en voelt zich beter dan de jongeren en de ouderen. Mannen boven de 75 jaar hebben significant meer problemen met de dagelijkse huishoudelijke handelingen dan jongeren. Aangezien de meeste mannen zich dit financieel kunnen veroorloven, hebben zij vaak particuliere hulp. Vrouwen - met name vrouwen tussen 55 en 65 jaar - beschikken over minder geld en klagen daarom dat zij te weinig hulp krijgen omdat ze die niet kunnen betalen. De onderzoeksgroep maakt even veel gebruik van de thuiszorg als de algemene bevolking. Netwerken De meesten hebben een goed functionerend netwerk, zij het dat meer mannen dan vrouwen een goed functionerend netwerk hebben. De netwerken van voormalig gehuwden verschillen van samenstelling met de netwerken van de altijd ongehuwden. In de netwerken van de eersten vinden we naar verhouding meer familie, met name in de vorm van de kinderen. Met de kinderen bestaat overigens een afstandelijk contact. Vrijwel niemand zoekt de zin van het bestaan in het feit dat er kinderen zijn, en de meesten hebben daarom een goed, maar afstandelijk, contact met de kinderen. In feite geldt voor vrijwel iedereen dat het contact met de familie tamelijk afstandelijk is. Lesbische vrouwen gaan bij voorkeur om met andere vrouwen en liever niet met mannen. Het contact met hun familie is in een aantal gevallen verbroken, zodat velen van hen alleen of voornamelijk met vriendinnen en de partner omgaan. Bij enkele vrouwen speelt de ex-partner eveneens een grote rol. Mannen hebben veel meer gevarieerde netwerken, waarin ook vrouwen, vriendinnen en familieleden een grote rol spelen. Het verlies van de partner door overlijden of verbreking van de relatie zijn risicofactoren voor een slecht netwerk. Daarnaast speelt ook de theorie van mental incongruity een rol: men heeft gevoelens van grote teleurstelling over het leven en schat in dat het daarom wel niet meer zal lukken de eenzaamheid op te heffen.
Er zijn problemen in de contacten met de buren. De meeste ondervraagden geven aan dat zij niet willen dat hun buren weten dat ze homoseksueel zijn - hoogstens zouden de buren het kunnen vermoeden, zegt men, omdat er alleen personen van dezelfde sekse op bezoek komen. Sommigen uiten zelfs angst dat de buren 'het' te weten komen. Het contact met de buren is vaak slecht; in ieder geval is er weinig contact. Relaties De verschillen in socialisatie tussen mannen en vrouwen leidden tot een andere opvatting over seksualiteit en relaties. Hoewel deze opvattingen vanuit het heteroseksuele patroon werden aangebracht (en veel mensen beoordelen hun opvoeding en de automatische patronen die hierdoor in hun leven werden aangebracht thans als negatief), blijken zij in het leven van de betrokkenen zeer te hebben doorgewerkt. Vrouwen en mannen staan anders tegenover seksualiteit en daardoor ook anders tegenover relaties. Mannen scheiden intimiteit en seksualiteit tot op grote hoogte - zodanig zelfs, dat bij de meeste mannen met een vaste relatie geen plaats is voor seks binnen deze vaste relatie. De meeste mannen hebben of hadden daarnaast contacten met derden. Het is opvallend dat deze derden vaak gehuwde mannen zijn, die zij op een ontmoetingsplaats min of meer letterlijk tegen het lijf lopen of via een advertentie leren kennen. Alleen mannen die zelf gehuwd zijn geweest, hebben wel monogame relaties. Daarnaast zijn er mannen die uitsluitend losse contacten hebben. Voor vrouwen gaan intimiteit en seksualiteit binnen de relatie hand in hand. Er ontstaat bij hen een vicieuze cirkel tussen elkaar beter leren kennen - een intieme relatie aangaan - en ten slotte elkaar zo goed kennen dat 'je familie wordt', waardoor de seksualiteit weer uit de relatie verdwijnt. De vrouwen kunnen dan nog een tijdje zonder seksualiteit doorgaan, maar op een gegeven moment gaat een van beiden met een andere vrouw vrijen. Dit betekent dan het einde van de relatie. Vrouwen hebben daarom veel meer een patroon van seriële monogamie dan mannen. Omdat vrouwen ten gevolge hiervan in hun leven met verschillende partners hebben samengewoond prefereren zij thans meestal om alleen te wonen. De positie van degenen die heteroseksueel gehuwd zijn geweest - een derde van de respondenten - is anders. In het vorige hoofdstuk zagen we reeds dat hun netwerk anders is opgebouwd. Omdat zij meestal pas in of na de jaren zeventig aan een homoseksueel leven begonnen, zijn ze gewend aan een grotere openheid en hebben ze een positiever beeld over homoseksualiteit meegekregen. Een aantal mensen heeft een kwetsbaar netwerk, waarin weliswaar alle functies vervuld worden, maar dit slechts door een of twee personen gebeurt. Wanneer deze persoon (meestal de partner en bij een aantal vrouwen de ex-partner) wegvalt is er in het geheel geen netwerk meer. Factoren die bijdragen tot een klein en kwetsbaar netwerk zijn: leeftijd (hoogbejaard zijn), partnerschap-status (vooral recent verlies van een partner), een slechte gezondheid, het verlies van betaalde arbeid (minder contacten en geldgebrek) en een recente verhuizing. Sommigen kunnen slecht aansluiting vinden bij anderen omdat zij teleurgesteld zijn in al hun sociale contacten. Problemen rond hun homoseksualiteit en de wijze waarop de familie (en vrienden) daarop reageerde speelt hier een voorname rol in. Mensen zonder partner met een goed netwerk nemen de moeite om te investeren in de handhaving van dit netwerk.
De knelpunten in de positie van de oudere homoseksuelen worden vooral bepaald door de specifieke maatschappelijke positie die homoseksualiteit inneemt. Isolement Het isolement waarin een aantal oudere homoseksuelen verkeert, wordt versterkt door de volgende factoren: - Ambivalentie ten opzichte van de openheid en zichtbaarheid van hun homoseksuele identiteit. De meeste mensen hebben in de loop van hun leven wel naar hun eigen opvatting en die van hun homoseksuele omgeving een heldere identiteit gekregen, maar ze missen de mogelijkheid om die maatschappelijk uit te dragen. Door de negatieve maatschappelijke opvattingen over homoseksualiteit die ze een groot deel van hun leven hebben meegemaakt, hebben de meesten afgeleerd om openlijk voor hun identiteit uit te komen. De angst voor mogelijke agressie leidt tot risicomijdend gedrag, bijvoorbeeld waar men bang is dat samenwonen tot extra agressie zou leiden; of wanneer men een voorziening op buurtniveau voor oudere homoseksuelen niet durft te bezoeken. De meesten kiezen de veilige kant en nemen geen initiatieven tot zelforganisatie. Hierdoor ontstaat een dilemma: eigenlijk wil men graag met andere homoseksuelen activiteiten ondernemen, maar tegelijk heeft men angst voor de gevolgen. Vrijheid om iets wel of niet te ondernemen, bestaat voor velen van hen niet. Zolang dit dilemma niet wordt opgelost, bestaat zorg op maat daarom voor hen niet. - Oudere homoseksuelen zijn klein in aantal en die getalsmatige beperking levert een belangrijke bijdrage aan het isolement waarin zij verkeren. Daarmee wordt het draagvlak voor specifieke maatregelen voor deze groep vooral in de periferie van het land erg klein. Dit wordt versterkt door de steeds toenemende decentralisatie. Hierdoor gaat ook veel kennis op het tereein van homoseksualiteit verloren. Het gevolg is dat er met de mond wel emancipatorische geluiden worden vertolkt, maar dat het in de praktijk moeilijk blijkt deze in praktisch beleid te vertalen. - De meeste oudere homoseksuelen in kleine plaatsen weten niet waar ze terecht kunnen met hun problemen. Dan is het moeilijk zelf initiatieven te nemen, omdat dit betekent dat alle organisatie op de schouders van steeds dezelfden terechtkomt. - Doordat de meeste homo/lesbische ouderen al vanaf vroeg in het leven door de problemen rond hun homoseksualiteit in hun familie geleerd hebben hun eigen boontjes te doppen, heeft men een hoge mate van zelfredzaamheid en daarmee individualiteit ontwikkeld. Alleen zijn is de prijs die oudere homoseksuelen betalen voor hun individualiteit. - Een laag inkomen draagt sterk bij tot het isolement waarin men verkeert. Omdat er maar weinig oudere homoseksuelen zijn, spelen veel activiteiten zich op landelijk en regionaal niveau af. De slechte financiële positie van met name veel lesbische vrouwen leidt tot een problematische situatie. - Binnen de groep homo-ouderen bestaat grote behoefte aan activiteiten op sociaal-cultureel gebied (bijvoorbeeld discussie- en thema-avonden; beeldende kunst, muziek, theaterbezoek) en bij vrouwen aan sportieve activiteiten (met name wandelen, fietsen, zwemmen, fitness). Omdat men zich bij hetero's vaak niet thuisvoelt vanwege de nadruk die zij op hun kinderen en kleinkinderen leggen, is ook bij de sociaal-culturele en recreatieve organisaties het bestaande aanbod niet toegesneden op de vraag van oudere homoseksuelen. Organisaties van ouderen (ouderenbonden) doen naar de mening van oudere homoseksuelen niets voor hen. - Een belangrijk knelpunt ligt bij de bestaande homo-organisaties. Bij de homo-organisaties is er vaak onvoldoende inzicht dat men een op ouderen afgestemd, maar niet verder isolerend beleid moet voeren en bij sociaal-culturele en ouderenorganisaties ziet men niet in dat homoseksuelen een aparte aanpak behoeven. Verder dienen homo-organisaties zich te realiseren dat het wegvallen van hun kader boven de dertig jaar belangrijke consequenties heeft voor de positie van oudere homoseksuelen. Binnen de afzonderlijke verenigingen en besturen is de zichtbaarheid van ouderen vrijwel nihil. Alleen door het vergroten van deze zichtbaarheid kunnen algemene activiteiten aantrekkelijker worden gemaakt voor ouderen. De verenigingen en stichtingen doen intern weinig aan deskundigheidsbevordering op het terrein van ouderen. Er is geen kader dat voor de continuïteit bij deze activiteiten kan dienen, laat staan dat dit kader professioneel is. Een professioneel kader zou de gevreesde kliekvorming, waar veel oudere homoseksuelen over klagen, kunnen tegengaan. Zoals uit de interviews blijkt is het organiseren van meer activiteiten voor uitsluitend ouderen geen oplossing omdat deze activiteiten niet aantrekkelijk zijn voor de meeste ouderen. Wanneer er al activiteiten worden georganiseerd, dienen die bovendien naar sekse gescheiden te zijn omdat lesbische vrouwen anders niet komen. - Een groot probleem doet zich voor rond de geringe integratie van ouderen in de bestaande homo-subcultuur. Zo is de bestaande homo-horeca allerminst vriendelijk voor ouderen. Tegelijkertijd is, zoals hierboven reeds is geconstateerd, de drempel om naar 'iets homoseksueels' toe te gaan erg groot. Dit betekent dat activiteiten voor deze groep ouderen beter onder een andere, algemene noemer georganiseerd kunnen worden terwijl ze tegelijk zoveel mogelijk anderen dan de doelgroep uitsluiten.
Zelforganisaties kunnen eenzaamheid en isolement deels oplossen. Dit thema is opgepakt door het project: Rimpels in de regenboog. - De bestaande homo-organisaties zouden meer initiatief moeten tonen bij het organiseren van activiteiten die aantrekkelijk zijn voor homo-ouderen. Het is van belang die activiteiten naar sekse te scheiden. - Binnen de homo-subcultuur kunnen activiteiten voor ouderen het beste worden georganiseerd onder een algemene noemer. Waar het gaat om vrouwen, zou 'Altijd zelfstandig levende oudere vrouwen' een mogelijke noemer zijn. Lesbische vrouwen vallen ontegenzeggelijk onder die noemer, terwijl het woord 'homoseksueel' of 'lesbisch' niet valt.